01/10/2016
C&A: een naam die bij velen bekend is, synoniem voor betaalbare mode die al generaties lang een plek heeft in onze kledingkasten. Maar wie weet nog hoe dit wereldwijde mode-imperium ooit begon? Ver voordat de moderne warenhuizen hun deuren openden en de lopende band kleding massaal produceerde, lag de oorsprong van C&A in een bescheiden, bijna vergeten traditie: die van de marskramer. Dit artikel neemt u mee op een fascinerende reis door de tijd, van de Friese plattelandswegen tot de glanzende etalages van internationale metropolen, en onthult de ingenieuze stappen die Clemens en August Brenninkmeijer namen om hun visie te verwezenlijken en de mode-industrie voorgoed te veranderen.
- De Bescheiden Start: Marskramers in Friesland
- De Opkomst van het Grootwinkelbedrijf: Innovatie en Uitbreiding
- De Klant Centraal: Doelgroep en Innovatieve Verkoopstrategieën
- De Productie: Efficiëntie en Eigen Controle
- Na de Oorlog: Wederopbouw en Verdere Wereldwijde Expansie
- Evolutie naar de Moderne C&A: Merken en Zelfbediening
- Vergelijking: Van Marskramer naar Modern Warenhuis
- Veelgestelde Vragen over de Geschiedenis van C&A
De Bescheiden Start: Marskramers in Friesland
De geschiedenis van C&A begint niet in een statige winkelstraat, maar in het Westfaalse dorp Mettingen, de bakermat van de familie Brenninkmeijer. Hier kwamen de twee broers, Clemens en August Brenninkmeijer, vandaan. In de jaren '30 van de negentiende eeuw trokken zij, zoals vele van hun streekgenoten, met een zware pak op hun rug door het uitgestrekte Friese landschap. Ze waren marskramers, rondreizende handelaren die hun waren van deur tot deur verkochten. Hun koopwaar bestond voornamelijk uit textielproducten die met huisvlijt werden vervaardigd door de vrouwen en meisjes in hun geboortestreek, een testament van de nijverheid van die tijd.
De Westfaalse marskramers hadden de gewoonte om regelmatig terug te keren naar hun geboortedorp om nieuwe voorraden in te slaan. Naarmate hun handel floreerde, bleven ze langer van huis en richtten ze in een Friese stad een ‘voorraadkast’ in. Als de zaken nóg beter gingen, was de volgende logische stap het huren of zelfs kopen van een pakhuis. Dit was precies wat Clemens en August Brenninkmeijer deden toen zij rond hun vijfentwintigste levensjaar waren. Zij hadden al eerder ervaring opgedaan als leerlingen, waarbij ze Friesland verkenden als compagnons van hun vader en andere familieleden, waardoor de basis voor hun ondernemersgeest al vroeg werd gelegd.
Het jaar 1841 markeert een cruciaal moment: Clemens en August stichtten officieel de firma C&A Brenninkmeijer in Sneek. Ze lieten zich inschrijven als burgers van Sneek en huurden een pakhuis, dat diende als hun centrale opslagplaats. De voorraad was breed en divers, passend bij de behoeften van die tijd: linnen en katoenen stoffen, rokstreep, satiné, duffel, bukskin (robuuste stoffen voor werkkleding en dagelijks gebruik), lakens, beddengoed en zelfs complete huwelijksuitzetten. Vanuit dit pakhuis verkochten de broers hun waren rechtstreeks aan klanten op zaterdag, zondag en dinsdag – dagen waarop de boerinnen en boeren uit de omgeving massaal naar Sneek kwamen voor de marktdag. De rest van de week bleven de broers echter trouw aan hun wortels en trokken ze nog steeds als marskramers door de omgeving om hun klantenkring te bedienen.
In de beroepsregisters van Sneek werden Clemens en August niet langer als marskramers, maar als kooplieden aangeduid. Dit suggereert dat hun handel zich uitbreidde en dat ze hun producten niet alleen aan particulieren verkochten, maar ook aan andere winkeliers, waarmee ze hun invloed in de textielhandel vergrootten. De naam Brenninkmeijer was overigens al een bekende naam in de regio; neven van de broers hadden al twee succesvolle bedrijven opgericht onder de namen H. Brenninkmeijer & Zonen en G. Brenninkmeijer & Co. Aan het einde van 1841 hadden de broers al een aanzienlijke winst van 1000 gulden behaald. Ze openden zelfs nog een magazijn in Dedemsvaart, hoewel dit filiaal helaas al in 1855 weer werd opgeheven, de precieze reden daarvoor blijft onduidelijk.
In 1861 zetten Clemens en August de volgende belangrijke stap door hun tweede pand in Sneek te kopen en dit in te richten als een volwaardige winkel. Ondanks deze ontwikkeling bleven de Brenninkmeijers hun marskrameractiviteiten voortzetten, omdat ze hun trouwe klantenkring niet wilden verliezen. Dit deel van de zaak werd geleidelijk overgenomen door de vier zonen van Clemens en de vier zonen van August, zodat zij waardevolle ervaring konden opdoen in het textielvak. In 1878, na decennia van hard werken en pionieren, gaven de twee broers de zaak over aan hun zonen. Vanaf dat moment sloeg C&A Brenninkmeijer een geheel nieuwe weg in: die van het grootwinkelbedrijf, met een revolutionaire focus op confectiekleding in plaats van de traditionele op maat gemaakte kleding en losse stoffen.
De Opkomst van het Grootwinkelbedrijf: Innovatie en Uitbreiding
Nederland als Basis voor Groei
De transformatie van marskramer naar grootwinkelbedrijf zette zich snel voort. In 1881 opende C&A Brenninkmeijer een filiaal in het bruisende winkelcentrum van Leeuwarden, een strategische zet gezien de reeds gevestigde bekendheid van de familie Brenninkmeijer in de stad. De jaren '80 van de negentiende eeuw waren cruciaal; in Friesland werd de basis gelegd voor wat later het immense Brenninkmeijer-concern zou worden. Tegelijkertijd kwam in Duitsland en Engeland de confectie-industrie in een stroomversnelling. De Brenninkmeijers zagen het potentieel van massaal geproduceerde, niet al te dure confectiekleding in, die de traditionele, in huisarbeid gemaakte werkkleding en tweedehands zondagse kleding zou vervangen. Dit inzicht was een keerpunt in hun bedrijfsstrategie.
Bernhard Joseph, de jongste zoon van Clemens, speelde waarschijnlijk een sleutelrol in het overtuigen van zijn familieleden om geleidelijk over te stappen van de verkoop van stoffen en maatkleding naar confectiekleding. Deze overgang was geen plotselinge omwenteling. Vrouwen die niet langer zelf naaiden, gingen aanvankelijk naar een naaister of naaiatelier. De Brenninkmeijers sprongen slim op deze trend in door eigen ateliers op te richten bij hun winkels. Dit bleek een groot succes, met name de mantels die in eigen ateliers werden gemaakt en verkocht, waren zeer gewild. Pas rond de eeuwwisseling kwam de verkoop van door derden gemaakte confectie echt op gang. C&A Brenninkmeijer groeide exponentieel en breidde zijn aanwezigheid in Nederland aanzienlijk uit:
- 1893: Opening van een filiaal aan de Nieuwendijk nr. 193 in Amsterdam, waar stoffen en damesconfectie, met name damesmantels, werden verkocht.
- 1896: Verplaatsing van het filiaal aan de Nieuwendijk naar een groter pand op nr. 199-201, om de groeiende vraag aan te kunnen.
- 1896: Opening van een filiaal in de Leidsestraat nr. 39 in Amsterdam. Hier werden aanvankelijk vooral stoffen verkocht, maar later steeds meer damesconfectie, inclusief de populaire mantelpakjes, destijds 'damestailleurs' genoemd.
- 1890: Het einde van de marskramerij door de Brenninkmeijers in Friesland, de aandacht verschoof volledig naar de winkels.
- 1898: In Sneek werd een tweede winkel geopend aan de Oosterdijk, ditmaal een herenzaak met een assortiment dat geheel op mannen en jongens was afgestemd.
In de dameszaken stopte de verkoop van stoffen volledig, en de Brenninkmeijers concentreerden zich volledig op de verkoop van dames- en meisjesmantels. De vrijgekomen ruimte werd benut voor de uitbreiding van de ateliers, waar vanaf dat moment ook zelf kleding werd geproduceerd voor de verkoop. Deze interne productie was een cruciale stap in hun strategie van kostenbeheersing en kwaliteitscontrole.
- 1902: Opening van een dameskledingzaak in Groningen.
- 1902: Uitbreiding van het filiaal in Leeuwarden, waar definitief werd overgestapt op de verkoop van voornamelijk damesmantels in plaats van stoffen.
- 1903: Opening van een nieuw filiaal in de nieuwe winkelpassage tussen de Nieuwendijk en het Damrak in Amsterdam, wederom met een focus op mantels en mantelkostuums.
- 1906: Overname van het perceel aan de Nieuwendijk 192 in Amsterdam. Dit werd een herenzaak, waardoor C&A nu uitstekend bereikbaar was voor de dagelijkse passanten, waaronder veel mannen en jongens die werkten in de omgeving van de Nieuwendijk. Met de opening van deze zaak onderscheidde C&A zich duidelijk in de kledingbranche, aangezien er tot dan toe geen bedrijven waren die zowel in de heren- als in de dameskledingbranche actief waren.
- 1908: Opening van het eerste Rotterdamse filiaal in de Hoogstraat nr. 5, dit was een dameszaak.
- 1908: Opening van de tweede zaak in Leeuwarden, ditmaal een herenzaak.
In de jaren die volgden, werden nog diverse winkels in Nederland geopend. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog telde Nederland al 20 C&A-winkels. Het bedrijf, opgericht door de Brenninkmeijers, is altijd in handen van de familie gebleven. Mannelijke nakomelingen kwamen echter niet zomaar in aanmerking voor een leidinggevende functie; iedereen werd onderworpen aan een strenge selectieprocedure. Als ze deze doorstonden, kregen ze een gedegen opleiding in alle facetten van de textielbranche. Op deze manier bleef het hele bedrijf stevig in handen van de familie, een traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt. De gedachte dat de leiding geleidelijk zou worden overgenomen door mensen van buitenaf, was en is nog steeds ondenkbaar binnen de familiecultuur van C&A.
Internationale Expansie: Duitsland en Engeland
Nadat C&A succesvol was gevestigd in Nederland, richtten de Brenninkmeijers hun blik op andere landen, met Duitsland als eerste logische keuze, gezien het hun land van herkomst was. Clemens Brenninkmeijer nam in 1910 het initiatief om te beginnen met handelen in Duitsland; hij was immers al regelmatig zaken aan het doen met Berlijnse confectiefabrieken. Zodoende werd in 1910 het eerste Duitse C&A-bedrijf gevestigd aan de Chausseestrasse in Berlijn. Het besluit om zich ook in Duitsland te vestigen, kwam waarschijnlijk voort uit het feit dat Duitsland al aanzienlijk geïndustrialiseerder was dan Nederland, wat de verkoop van confectiekleding daar nog verder zou bevorderen na het reeds behaalde succes in Nederland. De zonen van Clemens en August zagen ook voor hun kinderen een veelbelovende toekomst in Duitsland. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren er al 17 C&A-vestigingen in Duitsland.
In 1922 waagde C&A de oversteek naar Engeland, waar aan de beroemde Oxford Street in Londen de eerste Engelse C&A-vestiging werd geopend. Dit was geen kleine onderneming; het betrof een enorme winkel met een vloeroppervlakte van maar liefst 5000 m². De opening van deze vestiging had zelfs merkbare impact in Nederland. C&A kondigde de opening in Nederland aan met advertenties waarin stond dat door deze nieuwe uitbreiding de inkoopkracht van het bedrijf aanzienlijk werd vergroot, waardoor ze nog goedkoper konden inkopen en dus ook hun producten nog voordeliger konden verkopen aan de consument. Net als in Duitsland werd het aantal vestigingen in Engeland al snel uitgebreid in diverse belangrijke, dichtbevolkte industriële centra. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog waren er ook in Engeland 17 C&A-vestigingen.
De Klant Centraal: Doelgroep en Innovatieve Verkoopstrategieën
Aanvankelijk richtte C&A zich, net als concurrenten zoals Peek & Cloppenburg, de Kattenburgs en Kreymborg, op 'de burgerij' – de middenklasse. Echter, vanaf ongeveer 1912 stemde C&A zijn strategie meer af op 'het gewone volk', door confectiekleding ook voor hen betaalbaar en toegankelijk te maken. 'Het gewone volk' beschikte in die tijd over iets meer koopkracht en kon daardoor niet al te dure, maar wel degelijke kleding aanschaffen. Om deze nieuwe, bredere klantenkring te bereiken, hanteerden de Brenninkmeijers een revolutionaire strategie: lage prijzen - hoge omzet. Dit konden ze realiseren door een relatief kleiner assortiment te voeren, massaal in te kopen en een deel van de productie van confectiekleding binnen het eigen bedrijf te integreren. Bovendien nam het bedrijf genoegen met een bescheiden brutowinstmarge, een bewuste keuze die de consument ten goede kwam.
C&A communiceerde deze filosofie openlijk via advertenties. Een van de opvallende boodschappen luidde: "Onze sorteering maakt het ieder moogelijk bij ons te koopen. Wij zijn met luttele winst tevreden, stellen daardoor voor de beste kwaliteit de laagste prijzen, verkoopen slechts á contant, hebben alle noteringen gedrukt en bedienen des elke kooper gelijk". Deze uitgebreide verklaring werd later bondiger samengevat in de iconische slagzin: "C&A is toch voordeeliger". Deze slagzin werd voor het eerst gebruikt in 1924 en is tot op de dag van vandaag herkenbaar en relevant gebleven, waarmee C&A zijn belofte van betaalbaarheid al bijna een eeuw lang uitdraagt.
C&A was ook een van de pioniers in de kledingbranche die het concept van zelfkeuze introduceerden. Dit betekende dat klanten zelf hun kleding konden uitzoeken en passen, zonder directe tussenkomst van veel personeel. Hierdoor kon het bedrijf met minder personeel volstaan, wat de bedrijfskosten drukte en de prijzen laag hield. Deze innovatie verbeterde niet alleen de efficiëntie, maar gaf klanten ook meer vrijheid en comfort tijdens het winkelen. Bovendien had C&A een slimme oplossing gevonden voor de periode waarin de rijkere klasse het financieel moeilijker kreeg: het assortiment werd ingedeeld in drie duidelijke categorieën:
- Kleinprijs: Voor de meest budgetbewuste consumenten, met de scherpste prijzen.
- Guldenmidden: Een middenklasse assortiment dat kwaliteit en betaalbaarheid combineerde.
- Keurklas: Een premium selectie voor klanten die bereid waren iets meer uit te geven voor hogere kwaliteit of exclusiviteit.
Deze segmentatie zorgde ervoor dat iedereen, ongeacht het beschikbare budget, bij C&A kon slagen, waardoor het warenhuis een breed en loyaal publiek aantrok.
De Productie: Efficiëntie en Eigen Controle
Alles wat verkocht wordt, moet natuurlijk eerst geproduceerd worden, en voor C&A moest dit proces zo kostenefficiënt mogelijk zijn. In de allereerste dagen van de marskramers Clemens en August kwam alle textiel nog van huis, waar het met de hand werd vervaardigd door de familie. Naarmate het bedrijf groeide en de overstap naar confectiekleding werd gemaakt, was deze handmatige aanpak niet langer houdbaar. De verkoop van massaproducten vereiste een andere aanpak, en massaproductie bleek aanzienlijk goedkoper.
Toen het bedrijf nog verder groeide, nam de directie in 1919 een strategisch besluit: een deel van de productie zou in eigen handen worden genomen. In Amsterdam werd een grote confectiefabriek gebouwd door de dochteronderneming Nederlandsche Confectie-Industrie (NCI). Voorheen werd herenkleding vaak ingekocht bij externe productiebedrijven, zoals dat van Kreymborg, en populaire matrozenpakjes voor jongens werden geïmporteerd uit Duitsland en Engeland. Door de productie zelf te beheren, kon C&A niet alleen nog goedkoper produceren, maar ook eigen standaardmaten binnen het bedrijf invoeren. Dit was destijds een revolutionaire stap, aangezien maten nog niet gestandaardiseerd waren en overal anders konden uitvallen. Dankzij deze standaardisatie hoefde niemand zich meer dure maatkleding te laten aanmeten, want bij C&A waren er genoeg maten en tussenmaten beschikbaar om iedereen te passen, wat de toegankelijkheid van mode verder vergrootte.
Een belangrijke mijlpaal in de efficiëntie van de productie werd bereikt in 1930, toen de confectiefabriek in Amsterdam als eerste de lopende band invoerde. Dit betekende dat elke werkneemster slechts één specifiek onderdeel van een kledingstuk produceerde, in plaats van een volledig kledingstuk van begin tot eind te maken. Deze arbeidsdeling leidde tot een enorme verhoging van de productiviteit en een verdere verlaging van de productiekosten, waardoor C&A zijn concurrentievoordeel op het gebied van betaalbaarheid kon behouden en versterken.
Na de Oorlog: Wederopbouw en Verdere Wereldwijde Expansie
De Tweede Wereldoorlog betekende een abrupte onderbreking van de enorme winsten die C&A in de decennia daarvoor had behaald. In 1945, na het einde van de oorlog, waren 15 van de 17 C&A-winkels in Duitsland verwoest. Ook in Nederland en Engeland hadden verschillende filialen aanzienlijke oorlogsschade opgelopen. De Brenninkmeijers begonnen echter al snel met de wederopbouw, en dankzij hun veerkracht en vastberadenheid was in 1952 het oude aantal winkels in Duitsland alweer hersteld.
De expansie zette hierna stevig door. Binnen twintig jaar breidde het aantal filialen in Duitsland uit tot maar liefst 72 vestigingen, met een indrukwekkende omzet van circa 3 miljard gulden. In 1984 waren er zelfs al 133 vestigingen in Duitsland, met een omzet van circa 6,4 miljard gulden. Hierdoor mocht C&A zich met recht de grootste detailhandelsonderneming in de Bondsrepubliek noemen. Ook in Nederland en Engeland werd het bedrijf uitgebreid, zij het in mindere mate dan in Duitsland.
In Nederland werden in 1960 onder de naam ‘N.V. Algemeene Confectiehandel van C&A Brenninkmeijer’ 27 nieuwe vestigingen geopend. Begin jaren '70 was dit aantal gestegen tot 68 vestigingen, inclusief de 20 Voss-zaken die C&A had overgenomen. Hoewel er nooit officiële cijfers van C&A zijn getoond, wordt aangenomen dat C&A Nederland destijds marktleider was. In 1963 vervulden de Brenninkmeijers een lang gekoesterde wens door het grote confectiebedrijf van Nathan Ohrbach in de Verenigde Staten over te nemen, waarmee ze eindelijk vaste voet kregen op het Amerikaanse continent. Dit was het begin van een nog verdere mondiale uitbreiding. In de daaropvolgende jaren werden ook C&A-ondernemingen gesticht in België, Luxemburg, Frankrijk, Zwitserland, Spanje, Oostenrijk, Brazilië en Japan. De jaren na de oorlog waren gouden tijden voor C&A mensen hadden vaak niet veel geld en konden bij C&A terecht voor betaalbare, maar kwalitatieve kleding, wat een enorme behoefte vervulde na de schaarste van de oorlog.
Evolutie naar de Moderne C&A: Merken en Zelfbediening
Vanaf eind jaren '50 begon de maatschappij te veranderen. Mensen kregen steeds meer vrije tijd door kortere werkweken, en daarmee groeide de vraag naar vrijetijdskleding. De Brenninkmeijers voelden deze trend feilloos aan en speelden hierop in door in de winkels aparte afdelingen in te richten, de zogenaamde ‘shops in the shop’, specifiek gericht op deze nieuwe lifestyle. Een andere succesvolle ‘inhaker’ was de introductie van een jeugdmerk genaamd Twennie, dat later zou evolueren tot het uiterst succesvolle merk Clockhouse, een naam die nog steeds resoneert bij jongere generaties.
C&A bleef innoveren door net als andere modeketens te investeren in ‘eigen merken’, maar altijd met het oog op betaalbaarheid. Zo ontwikkelde C&A zijn eigen spijkerbroekenlijn onder de merknaam Jinglers, compleet met een pakkende slagzin die klanten moest aanmoedigen: "C&A heeft geen Jeans, Vraag naar Jinglers!" Het aantal baby- en kinderkledingmerken werd eveneens uitgebreid met namen als Baby-club, Palomino en Club 15. Voor volwassenen werden merken als Ecco, Yessica, Westbury, Rodeo en Your sixth Sense geïntroduceerd, elk gericht op specifieke stijlen en doelgroepen binnen het brede spectrum van betaalbare mode.
Tussen de jaren '70 en '80, ondanks een voortdurende uitbreiding van het filialenbestand, nam het aantal vaste werknemers niet toe. Dit was een direct gevolg van de toenemende implementatie van het zelfbedieningssysteem in de winkels. De taken van het personeel werden verminderd; zij mochten de klanten alleen nog aanspreken als deze specifiek om hulp vroegen of als het overduidelijk leek dat assistentie nodig was. Deze verschuiving in winkelconcept toont aan hoe C&A voortdurend zocht naar manieren om efficiëntie te verhogen en de lage prijzen - hoge omzet strategie te handhaven, zelfs in een veranderende retailmarkt.
Vergelijking: Van Marskramer naar Modern Warenhuis
De transformatie van C&A door de decennia heen is indrukwekkend. Hieronder een beknopte vergelijking van de belangrijkste kenmerken door de tijd:
| Kenmerk | Vroege C&A (Marskramer/1841) | Latere C&A (Grootwinkelbedrijf/1900+) |
|---|---|---|
| Verkoopmethode | Rondreizende marskramerij, verkoop vanuit pakhuis op marktdagen | Vaste fysieke winkels, later met zelfkeuze-systeem |
| Productaanbod | Losse stoffen (linnen, katoen), maatkleding, beddengoed | Massaal geproduceerde confectiekleding voor dames, heren en kinderen |
| Doelgroep | Boeren, later 'de burgerij' | Eerst 'de burgerij', vanaf ca. 1912 gericht op 'het gewone volk' en breed publiek |
| Prijstrategie | Concurrerend met lokale ambachtslieden | Lage prijzen - hoge omzet, kleine winstmarges, eigen merken |
| Productie | Huisarbeid, inkoop van handgemaakte textiel | Eigen fabrieken (NCI), introductie van de lopende band, standaardmaten |
| Geografische reikwijdte | Regionaal (Friesland, Nederland) | Nationaal (Nederland), daarna internationaal (Duitsland, Engeland, VS, Europa, Brazilië, Japan) |
Veelgestelde Vragen over de Geschiedenis van C&A
- Hoe heette C&A vroeger?
- De firma die de basis legde voor het huidige C&A heette oorspronkelijk C&A Brenninkmeijer.
- Wanneer is C&A opgericht?
- C&A is officieel opgericht in 1841 in Sneek, Nederland, door de broers Clemens en August Brenninkmeijer.
- Wie waren de oprichters van C&A?
- De oprichters waren de broers Clemens en August Brenninkmeijer.
- Wat was de oorspronkelijke bedrijfsactiviteit van C&A?
- Oorspronkelijk waren de broers marskramers die handgemaakte textielproducten verkochten. Later verhuisden ze naar een pakhuis en openden ze winkels waar ze stoffen en maatkleding verkochten, voordat ze overstapten op confectiekleding.
- Waarom werd C&A zo succesvol?
- C&A's succes is te danken aan verschillende factoren: hun vroege focus op betaalbare, massaal geproduceerde confectiekleding, de strategie van lage prijzen - hoge omzet, de introductie van zelfkeuze in de winkels, eigen productie met efficiënte methoden zoals de lopende band, en een consistent aanbod van kleding voor een breed publiek.
- In welke landen breidde C&A het eerst uit buiten Nederland?
- Na Nederland breidde C&A zich als eerste uit naar Duitsland (1910) en vervolgens naar Engeland (1922).
- Wat is de bekendste slagzin van C&A?
- De bekendste en langstlopende slagzin van C&A is "C&A is toch voordeeliger", die voor het eerst werd gebruikt in 1924.
De geschiedenis van C&A is een indrukwekkend verhaal van ondernemerschap, aanpassingsvermogen en een scherp oog voor de behoeften van de consument. Van bescheiden marskramers in de Friese binnenlanden zijn Clemens en August Brenninkmeijer de grondleggers geworden van een wereldwijd modeconcern. Hun innovatieve benadering van confectiekleding, de focus op lage prijzen - hoge omzet, de introductie van zelfkeuze en de ontwikkeling van eigen merken zoals Clockhouse, hebben C&A door anderhalve eeuw van economische en sociale veranderingen geleid. Hoewel de zoektocht naar zeer recente, gedetailleerde informatie over de huidige situatie van C&A complex kan zijn, is het duidelijk dat de fundamenten die door de Brenninkmeijers zijn gelegd, het bedrijf in staat hebben gesteld om een blijvende en significante rol te spelen in de wereld van de betaalbare mode.
Als je andere artikelen wilt lezen die lijken op C&A's Oorsprong: Van Marskramer tot Wereldmerk, kun je de categorie Mode bezoeken.
